Algemeen Lotto-Intermarché en UGent zoeken naar de grenzen van koolhydraatinname
De test moet vooral duidelijk maken of sommige renners meer dan 120 gram koolhydraten per uur kunnen verwerken. Die grens geldt vandaag als standaard, maar het wetenschappelijke onderzoek waarop ze gebaseerd is, werd nog nauwelijks uitgevoerd bij elitewielrenners. “Onze renners vormen een bijzondere groep, omdat ze gewend zijn om tijdens trainingen grote hoeveelheden koolhydraten in te nemen. We vermoeden dat sommigen daardoor boven de 120 gram per uur kunnen gaan. Wat we nu al zien in onze resultaten, is dat er individuele verschillen bestaan”, vertelt Kobe Vermeire, postdoctoraal onderzoeker aan UGent en trainer bij Lotto-Intermarché.
Tijdens de ongeveer drie uur durende fietstest krijgt een renner een koolhydraatrijke drank, goed voor een inname van ongeveer 140 gram per uur. Aan die drank worden speciale isotopen toegevoegd: varianten van koolstofatomen die als een soort merkteken dienen. Zo kunnen de onderzoekers nagaan hoeveel van de ingenomen koolhydraten het lichaam daadwerkelijk gebruikt. “Tijdens het fietsen verbruikt de renner de koolhydraten, waarbij ook de isotopen in het lichaam terechtkomen. Vervolgens verzamelen we de uitgeademde lucht, waarin die isotopen aanwezig zijn. Op basis van de hoeveelheid en de snelheid waarmee ze worden uitgeademd, kunnen we berekenen hoeveel van de ingenomen koolhydraten de renner effectief gebruikt”, legt professor inspanningsfysiologie en sportvoeding Jan Boone uit.
Boone is verbonden aan de Universiteit Gent, die al drie jaar samenwerkt met Lotto-Intermarché als volwaardige partner binnen de performancecel. Die samenwerking steunt op drie pijlers: de werking van de ploeg baseren op de hoogste wetenschappelijke standaarden, kritisch beoordelen welke nieuwe inzichten uit het peloton daadwerkelijk waardevol zijn en innovatieve methodes ontwikkelen om de prestaties van de renners te verbeteren.
De juiste balans
Wanneer de beschikbare koolhydraatvoorraden uitgeput raken, moet het lichaam meer overschakelen op vetverbranding. Dat kan gepaard gaan met een daling van het prestatievermogen. “Als we erin slagen om de hoeveelheid koolhydraten die een renner kan opnemen én gebruiken te verhogen, kan hij zijn prestatieniveau langer behouden, ook tijdens het laatste uur van een wedstrijd”, legt Boone uit. “Bij rittenkoersen kan dat mogelijk ook een effect hebben op het herstel voor de volgende dag.”
Toch betekent meer niet automatisch beter. “Het is belangrijk om op individueel niveau te meten hoeveel een renner aankan. Als iemand meer koolhydraten inneemt dan hij effectief kan verwerken, kan dat voor ongemakken in het maag-darmstelsel zorgen. Daarom willen we de voedingsstrategie afstemmen op de mogelijkheden van elke renner”, benadrukt Vermeire.
Van onderzoek naar de koers
De resultaten van de labotesten worden dan ook uitvoerig besproken met het voedingsteam. Renners die grotere hoeveelheden koolhydraten effectief kunnen gebruiken, kunnen hun inname tijdens trainingen geleidelijk verhogen en die strategie later ook tijdens wedstrijden toepassen. Bij anderen kan het onderzoek net uitwijzen dat een lagere inname aangewezen is.
Daarnaast zoeken de onderzoekers naar mogelijke verklaringen voor de verschillen tussen renners. Zo onderzoeken ze onder meer de rol van het darmmicrobioom, de verzameling micro-organismen in het maag-darmstelsel. Dat onderzoek bevindt zich nog in een verkennende fase, maar kan op termijn nieuwe inzichten opleveren.
Voor Vermeire is net die wisselwerking tussen wetenschap en praktijk een grote meerwaarde van de samenwerking. “We kunnen onderzoek rechtstreeks naar de ploeg brengen, maar het werkt ook in de andere richting. De ploeg stelt vragen waarop we met de middelen van de universiteit antwoorden proberen te vinden. Zo kunnen we de meest recente wetenschappelijke inzichten vertalen naar de dagelijkse werking.”
Kleine verschillen, grote impact
De labotest past binnen de bredere zoektocht van Lotto-Intermarché naar manieren om de prestaties van de renners te verbeteren. Daarbij blijft een sterke basis op het vlak van training en voeding essentieel. Wetenschappelijk onderzoek moet daarop voortbouwen en nieuwe mogelijkheden blootleggen.
“De basis moet eerst op het hoogste niveau staan. Wat we hier doen, is zoeken naar bijkomende winst om de prestaties te verbeteren. Als we die innovaties kunnen toevoegen aan een werking waarin de basis al goed zit, kunnen ze een belangrijke impact hebben”, besluit Boone.
Foto: PhotoNews